Hoge Raad buigt zich over BPM-discriminatie bij importauto’s: strikte toets soortgelijkheid van tafel, maar “te koop-eis” blijft twistpunt
De prejudiciële procedure over de BPM-heffing bij import van gebruikte voertuigen (zaak 25/01882) bereikt een beslissende fase. In haar conclusie neemt Advocaat-Generaal Ettema op heldere wijze afstand van de strikt technische benadering van het Hof Amsterdam, en kiest zij voor een meer praktijkgerichte en Europeesrechtelijk verankerde interpretatie.. Maar waar de gelijksoortigheid ruimhartiger wordt geïnterpreteerd, ontstaat nu een ander knelpunt: moet de belastingplichtige ook bewijzen dat een referentieauto daadwerkelijk “te koop stond”?
Gelijksoortigheid: geen papieren fetisjisme meer
Ettema bevestigt wat importeurs en taxateurs al langer bepleiten: voertuigen hoeven niet exact dezelfde typegoedkeuringscode of testmethode te delen om als “gelijksoortig” te gelden. Als ze in gebruik, waarde en uitstraling voor de consument functioneel gelijk zijn, dan is dat voldoende. WLTP-varianten mogen dus gewoon worden vergeleken met NEDC-auto’s, mits hun kenmerken wezenlijk overeenkomen. Deze verschuiving naar een economisch perspectief sluit aan bij de zienswijze van Stichting ROTA, die in haar schriftelijke opmerkingen waarschuwde tegen “kloon-denken” en pleitte voor focus op marktwaarde en gebruikskenmerken.
Nieuwe horde: de “te koop”-eis van vraag 4
Opmerkelijk is dat Ettema in haar conclusie bij prejudiciële vraag 4 betoogt dat een binnenlandse referentieauto niet alleen moet bestaan, maar ook daadwerkelijk te koop moet zijn aangeboden op het moment van registratie van de importauto. Dit legt opnieuw een zware bewijslast bij de belastingplichtige, en lijkt haaks te staan op vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU.
Hof van Justitie: verhandelbaarheid is genoeg – te koop staan hoeft niet
In het arrest Mihai Manea (C-76/14) verduidelijkte het Hof dat voertuigen die niet worden aangeboden op de markt, buiten de vergelijking vallen – maar dat betekent omgekeerd juist dat voertuigen die wél op de markt zijn, automatisch meetellen, ook zonder concreet bewijs van actieve verkoop.
Nog sterker is het arrest in de zaak Malta (C-694/22, 22 februari 2024): daar oordeelde het Hof dat voertuigen die zich op de nationale markt voor tweedehandsauto’s bevinden, per definitie als “gelijksoortige nationale producten” moeten gelden. Er werd géén bewijs verlangd dat deze voertuigen op dat moment ook daadwerkelijk te koop waren – registratie en potentiële beschikbaarheid volstaan.
Dit ondergraaft het betoog van Ettema: economische verhandelbaarheid – niet feitelijk aanbod – is de toetssteen onder artikel 110 VWEU.
En wat met particuliere verkopen?
Een cruciaal punt dat Ettema onbenoemd laat, is het bestaan van transacties buiten het zicht van marktplaatsen en showrooms. Denk aan een verkoop van buurman aan buurman. Dit is geen fictie maar dagelijkse realiteit. Juist de “particuliere verkoopwaarde” is volgens het ROTA Waardedefinities Handboek 2025 een erkende economische waarde. Deze waarde staat gelijk aan circa 85% van de vervangingswaarde, en is gebaseerd op verkooptransacties tussen particulieren zonder tussenkomst van een dealer.
Een voertuig dat op kenteken staat en dat verhandelbaar is tussen burgers – al dan niet via advertenties – vertegenwoordigt dus wél degelijk economische concurrentie. Dat maakt de eis dat een voertuig aantoonbaar “te koop moet staan” overbodig en onhoudbaar binnen het Europese discriminatierecht.
Bovendien geldt bij ROTA-taxaties dat alle marktvormen worden meegenomen, óók particuliere transacties, zoals opgenomen in stap 2 en 3 van hun waarderingsstrategie. Dat de Hoge Raad hieraan voorbij zou gaan door verkoop zonder publieke aanbieding buiten beschouwing te laten, zou haaks staan op zowel marktlogica als taxatiepraktijk.
Gevolgen voor praktijk en rechtseenheid
Als de Hoge Raad de “te koop”-eis zou overnemen, zou dat BPM-taxaties weer nodeloos complex maken. Importeurs zouden moeten bewijzen dat op een specifiek moment in het verleden een exact vergelijkbaar voertuig werd aangeboden – terwijl zulke gegevens vaak niet beschikbaar zijn. Het risico? Rechtsonzekerheid, hogere belastingdruk, en ontmoediging van legitieme import.
Een koerswijziging richting de EU-rechtspraak van Malta en Manea – met ruimte voor particuliere verkoop als volwaardige economische referentie – is daarom essentieel. Alleen dan wordt artikel 110 VWEU naar behoren toegepast: als vangnet tegen verkapte marktbescherming via fiscale achterdeurtjes.
Conclusie
De conclusie van A-G Ettema is een forse correctie op de technische fixatie van het Hof Amsterdam. Maar door de “te koop”-voorwaarde uit vraag 4 overeind te laten, dreigt alsnog ondergraving van het neutraliteitsbeginsel. Het Hof van Justitie EU heeft in Malta en Manea juist benadrukt dat verhandelbaarheid de toets is – niet bewijs van actuele verkoop. De particuliere verkoopwaarde – zoals erkend in het ROTA-handboek – maakt duidelijk: elke economische transactie, ook zonder advertentie, is relevant.
Aan de Hoge Raad nu de taak om dit uitgangspunt te bevestigen. Alleen zo blijft BPM-heffing in overeenstemming met Europees recht én de dagelijkse realiteit van de tweedehandsmarkt.